De heer J.G. Steens uit Delft wordt een vergunning verleent tot het berijden van den wegen met een automobiel waarvan de grootste lengte 4,56 mtr bedraagt en de grootste breedte 1,84 mtr welks wordt voortgedreven met benzine onder de voorwaarden;
1- Het rijden geschiedt in het bijzijn van den opzichter van den Rijkswaterstaat de heer H.J. Weeshuizen te s'Gravenhage. Daartoe moet hij in het rijtuig worden toegelaten.
2- Er dient op het rijtuig tussen zonsondergang en zonsopgang een helder lichtgevende lantaarn zijn aangebracht, waarvan het licht voortuit en zijwaarts goed zichtbaar is.
3- Het ruituig moet voorzien zijn van een inrichting, waardoor het zonodig elk oogenblik van volle vaart binnen een afstand van 10 mtr tot stilstand kan worden gebarcht.
4- Het rijtuig moet voorzien zijn van een bel of hoorn waarmee een tot op een afstand van 100 mtr een goed hoorbaar geluidsignaal kan worden gegeven.
5- De snelheid mag nimmer meer bedragen dan twintig kilometers per uur, behoudens het navolgende;
Bij het afgaan van hellingen, nabij of in bochten, nabij bebouwde kommen bij het kruisen of oversteken van wegen, over bruggen of langs gebouwen welke onmiddelijk aan den weg staan, mag met geen grootere snelheid gereden worden dan acht kilometer in het uur. Bij mist mag bij laatst genoemde snelheid geen wegvak overschreden worden.
6- Bij het ontmoeten of inhalen van paarden of langs den weg gedreven of geleid vee moet de bestuurder van het rijtuig de snelheid verminderen of stoppen zodra hij bemerkt dat de dieren onrustig worden of de geleider of de bestuurder der dieren een waarschuwings teeken geeft.Voorts behoort alles te worden vermeden wat het schrikken der dieren tot gevolg zou kunnen hebben.
7- De bestuurder van het rijtuig is verplicht tijdig met den bel of den hoorn een duidelijk signaal te geven bij het achterop rijden van rijtuigen of personen, van losse, aangespannen of bereden paarden of van vee. Bij het naderen van kruisoverwegen, bij bochten of bruggen, in het algemeen telkens wanneer dit in het belang is van der veiligheid van het verkeer langs den weg gevorderd wordt.
8- Voor het overige moeten bij het rijden moeten voor het gewone verkeer bestaande bepalingen of geldende gebruiken worden gevolgd.
9- Het rijtuig mag niet gebezigd tot het trekken van andere rij- of voertuigen.
10- De voorwaarden van deze beschikking moeten steeds in het ruituig aanwezig zijn.
Koninklijk besluit
19 januari 1898
Staatsblad No 25
|